Kinderen en angsten. Het is net als groente bij het avondeten: onvermijdelijk, vaak onverwacht en regelmatig voorzien van theatrale bijgeluiden.
Bij ons thuis zijn angsten vaak vaste bewoners van het avondritueel. Niet in de vorm van echte monsters onder het bed, maar eerder als onzichtbare engerds in het hoofd van mijn kinderen. En laat ik eerlijk zijn: ik ben inmiddels een ware expert in monsterbestrijding. Zonder diploma, met veel fantasie.
Monsterspray
Het begon allemaal jaren geleden met mijn oudste, inmiddels puberdochter, toen ze nog een schattige peuter was met een bovengemiddeld sterke overtuiging dat er spoken en geesten in haar kamer zaten. Nacht na nacht stond ze naast mijn bed, haar grote ogen vol paniek: “Mama, er is iets in mijn kamer.”
Iets, inderdaad. Soms een geest. Soms een schaduw. Soms een onzichtbare draak met drie hoofden en een voorkeur voor haar sokkenla.
Wat doe je dan als ouder? Juist. Je pakt een spuitfles, plakt er een sticker op met “Monsterspray, extra sterk” en vult ’m met kraanwater. Vervolgens loop je als een exorcist-light haar kamer door, spuitend in hoeken, onder het bed, achter het gordijn, en ja zelfs in de sokkenla. Ze sliep als een roos.
Tot ze groot genoeg werd om me met opgetrokken wenkbrauwen te vertellen dat ik die geest gewoon had ingebeeld.
Limited Edition en de modieuze nachtmerrie
Mijn zoon, ook wel bekend als Limited Edition, heeft zijn eigen nachtelijke angsten. Geen spoken of draken, maar “enge mensen in mijn hoofd”.
Vanavond was het weer raak. “Mama, ik heb een enge witte man in mijn hoofd. Met een enge mond.”
Mijn moederhart kneep zich samen. Het was bedtijd, ik was al moe, en ik wilde niets liever dan horizontaal. Maar moeders zijn geen machines. Wij zijn kunstenaars. Oplossers. Geestenverjagers én modeontwerpers.
Van horror naar haute couture
Eerst gaven we hem een normale huidskleur, want niemand verdient het om wit en eng te zijn. Toen besloten we dat hij roze lippenstift nodig had. En nepwimpers. En een feesthoedje. En omdat we er nu toch waren: een zwembroek met palmbomen, een felgekleurd Hawaïshirt en sokken. Roze sokken. Met hartjes.
Mijn zoon keek me aan. Grinnikte. “En slippers?”
“Nee,” zei ik streng. “Crocs. Feloranje.”
We lagen dubbel. De enge man was veranderd in een flamboyante vakantieganger met een vleugje carnaval. Geen angstaanjagend wezen meer, maar iemand die per ongeluk op het verkeerde feest was beland.
Angst heeft humor nodig
Dit is wat ik geleerd heb: angsten zijn als ballonnetjes. Hoe serieuzer je ze benadert, hoe groter ze worden. Maar geef ze een Hawaïshirt en ze verliezen hun kracht.
Kinderen hebben fantasie. En met een beetje creativiteit kunnen we die fantasie gebruiken als superkracht. Niet om te ontkennen wat ze voelen, maar om het een andere vorm te geven. Een versie waar ze om kunnen lachen. Waar wij samen om kunnen lachen. En waar ze op een dag zelf met weemoed aan terugdenken, als ze tegen hun eigen kinderen zeggen: “Kom, we gaan het Angstmonster te lijf en dan lekker slapen.”
Het Angstmonster? Wij kennen ’m.
Hij draagt nu lippenstift, zingt karaoke op crocs en heeft geen macht meer over mijn zoon. En als hij het toch weer probeert, dan hebben wij een nieuwe sticker voor op de Monsterspray-fles klaar:
“Angst? Niet bij ons. Angst krijgt hier mascara, crocs en een enkeltje uit ons hoofd.”
Herkenbaar? Heeft jouw kind ook een eigen versie van het Angstmonster? Hoe ga jij hiermee om? Laat het me weten!
