Zomervakantie: SUP-drama, schermverslaving en BSO-blues
Zes weken zomervakantie. Of, zoals ik het liever noem: de jaarlijkse marathon waarbij ik me elke week afvraag of ik het einde wel haal. Want laten we eerlijk zijn: zomervakantie met kinderen is niet altijd vakantie. Het is een logistieke, mentale én fysieke uitdaging waarbij je vooral leert wat grenzen verleggen echt betekent.
Dit is hoe onze vakantie waarschijnlijk zal gaan:
BSO = Bijzonder Straf Orgaan (volgens mijn zoon)
De eerste drie weken van de vakantie moet ik gewoon werken. Geen tripjes naar het openluchtzwembad of lui met mijn e-reader in een relaxte stoel. Nee, ik lever mijn Limited Edition zoon (8 jaar, veel fantasie, weinig begrip voor werktijden) netjes af bij de BSO.
“Dat is kindermishandeling,” zegt hij met grote ogen vol drama. “Alle andere kinderen zijn vrij, en ik moet naar school 2.0!” Maar wanneer ik hem een aantal uren later op wil halen, wil hij niet mee naar huis omdat hij een watergevecht aan het winnen is en een limonade-bar opent alsof hij er aandelen in heeft.
“Ik vond het wel oké,” mompelt hij dan bij het ophalen. Wat zoveel betekent als: het was de tijd van zijn leven.
Week vier en vijf: chalet-chaos
Dan komt het moment waarop we écht met vakantie gaan. Twee weken in een chalet op een gezellige familiecamping met zwemvijver, zwembad en animatie. Klinkt geweldig, toch?
Tot je beseft dat je een achtjarige en een twaalfjarige bij je hebt. En dat die allebei compleet andere wensen hebben.
De een wil knutselen met het animatieteam, springend over het veld in een Minion-kostuum. De ander wil vooral niet gezien worden bij datzelfde animatieteam en beweert bij elke activiteit dat ze “te volwassen” is.
“Er is niks te doen hier,” zegt puberdochter terwijl achter haar een DJ opblaasdieren de zwemvijver in gooit en er vijftien kinderen op een SUP-board capriolen uithalen.
Geen schermen op vakantie
Wij hebben één vakantiewet: géén telefoons of tablets.
Op dag één ondergaat dochter dit nog waardig. Op dag twee begint ze met trillende handen over ‘schermdetox’ te praten. Op dag drie ligt ze op haar bed als een uitgezette flamingo te zuchten dat ze zich verveelt.
“Ga dan suppen met je broer,” stel ik voor.
“Dat is zó 2022,” zegt ze, terwijl haar broertje met zijn SUP en een snorkel op z’n hoofd al twintig keer de vijver is overgestoken.
Zwemvijverchaos
De zwemvijver lijkt op papier een zomerse droom: zon op het water, kinderen die peddelen, en overal vrolijk gespetter. En ja, in het begin gaat het verrassend goed.
Tot puberdochter ineens een vlaag van zeldzame broederliefde voelt en besluit samen met haar achtjarige broertje op een SUP-board te stappen. Moeder ontroerd, camera in de aanslag.
Maar dan. Halverwege de vijver krijst ze ineens alsof ze wordt aangevallen door een haai. “Er zit een VISSENBEEST onder ons! HIJ KEEK ME AAN!” Broertje probeert nog heldhaftig te sturen terwijl puber half hysterisch op het board hangt, overweegt erin te springen maar dat is ook weer eng.
Resultaat: wild gewiebel, natte puber, paniekkreten over ‘visogen’ en een sup die diagonaal door de vijver dobbert. Ondertussen kijken omliggende ouders toe met dat medelijdende maar geamuseerde gezicht van: “Fijn hè, vakantie met kinderen.”
Vakantiegevoel: check
Week zes: thuis bijkomen
Na twee weken ‘ontspannen’ komen we thuis. De kinderen zeggen “het was best leuk”. De hoogste score die je als ouder kunt halen. Ik doe drie dagen over de mega lading was die mee terug is gekomen.
Week zes? Die vullen we met uitslapen, ijsjes, bezoekjes aan het openluchtzwembad en het langzaam opbouwen van schoolroutine. En ik?
Ik tel heimelijk af tot ik weer naar kantoor mag. In stilte. Zonder iemand die “mammaaa?” roept vanaf een SUP-board.
Conclusie?
Zes weken zomervakantie met kinderen is als een rit in een botsauto zonder stuur: je gilt, je lacht, je botst overal tegenaan… en toch stap je aan het eind met een glimlach weer uit
Ik heb er zin in! Geef me eerst koffie. En een vakantie ná de vakantie.

Weer mooi geschreven schoonzus! Trots op jou!