het officiële geluid van een schoolochtend
De vakantie is voorbij.
De wekker staat weer aan.
Broodtrommels moeten gevuld.
Tassen moeten mee.
Schoenen moeten aan.
En ergens tussen opstaan en daadwerkelijk de deur uitkomen klinkt hij weer.
De zin die iedere ouder na zes weken vakantie blijkbaar stiekem gemist heeft:
“Mam, waar is mijn…?”
Vul zelf maar in.
Schoenen.
Tas.
Gymspullen.
Oplader.
Fietssleutel.
Broodtrommel.
Jas.
Het maakt eigenlijk niet uit.
Als het bestaat, kan het kwijt.
Het begint altijd onschuldig
De ochtend begint nog redelijk optimistisch.
Ik sta op.
Kinderen wakker maken.
Nog een keer kinderen wakker maken.
Nog één keer, maar nu iets minder vriendelijk.
En uiteindelijk komt er beweging in Huize Chaos.
De puber schuifelt naar beneden alsof haar lichaam wel aanwezig is, maar haar ziel nog ergens boven onder het dekbed ligt.
Limited Edition komt meestal met aanzienlijk meer geluid.
Mooi.
We zijn compleet.
Nu alleen nog aankleden, ontbijten, tandenpoetsen en vertrekken.
Wat kan er misgaan?
Ha.
“Mam, waar is mijn tas?”
Daar is hij.
De eerste.
“Waar heb je hem neergezet?”
“Weet ik niet.”
Dat is altijd een sterk begin.
“Waar had je hem gisteren?”
“Weet ik niet.”
“Heb je al gekeken waar je hem normaal neerzet?”
“Nee.”
Natuurlijk niet.
Waarom zou je eerst zelf kijken als je ook gewoon “MAM” kunt roepen?
Dus we zoeken.
Onder de tafel.
Bij de bank.
In de gang.
Boven.
Beneden.
En uiteindelijk staat de tas precies op de plek waar hij gisteren is neergezet.
Bizar.
Bijna alsof spullen niet zelfstandig door het huis wandelen
De puber heeft een andere tactiek
Bij haar gaat het subtieler.
Ze roept niet direct.
Ze kijkt eerst ongeveer vier seconden.
Daarna:
“Mam?”
Ik weet dan al genoeg.
“Wat ben je kwijt?”
“Niks.”
Ah.
Prima.
Dan gaan we verder.
Tien seconden later:
“Heb jij mijn oplader gezien?”
Nee.
Want ik ben niet de beheerder van het centrale opladerdepot.
Hoewel dat in dit huis soms wel zo voelt.
“Waar had je hem?”
“Boven.”
“Dan ligt hij misschien boven?”
Een blik.
Sommige antwoorden worden blijkbaar niet gewaardeerd.
Limited Edition zoekt anders
Limited Edition zoekt met overtuiging.
Hij opent één lade.
Kijkt twee seconden.
“Ligt er niet.”
“Heb je goed gekeken?”
“Ja.”
Ik loop erheen.
Ik schuif één ding opzij.
Daar ligt het.
Altijd.
Ik begin inmiddels te vermoeden dat kinderen niet zoeken naar spullen.
Ze zoeken naar spullen die zichzelf vrijwillig presenteren.
Alles wat zich achter een sok, een schrift of een pak koekjes bevindt, bestaat tijdelijk niet.
En dan zijn er de schoenen
Schoenen verdienen een eigen categorie.
Want hoe raak je schoenen kwijt?
Twee stuks.
Vrij groot.
Dagelijks gebruikt.
En toch.
“Mam, waar zijn mijn schoenen?”
Geen idee.
Ik heb ze niet gedragen.
Ik heb ze niet uitgetrokken.
Ik heb ze niet ergens neergegooid alsof er nooit meer een ochtend zou komen waarop je ze nodig hebt.
Maar goed.
We zoeken.
Want inmiddels begint de klok mee te doen.
En de klok is ’s ochtends nooit je vriend.
Vijf minuten voor vertrek
Dit is het magische moment.
Alles leek geregeld.
Iedereen heeft kleding aan.
Tassen zijn gevonden.
Schoenen zijn gevonden.
Er is hoop.
En dan:
“Oh ja.”
Nee.
Niet “oh ja”.
Niets goeds begint om 07.55 uur met “oh ja”.
“Ik moet vandaag gymspullen mee.”
Natuurlijk.
“Waar zijn die?”
Geen idee.
“Mam?”
Daar gaan we weer.
De loedermoeder als zoekmachine
Ik weet niet wanneer dit precies gebeurd is, maar blijkbaar ben ik in de loop der jaren veranderd in een menselijke zoekmachine.
Geen Google.
Geen Siri.
Gewoon:
Mam.
“Mam, waar ligt mijn jas?”
“Mam, heb jij mijn tas gezien?”
“Mam, waar zijn mijn sokken?”
“Mam, weet jij waar mijn fles is?”
En het irritante is:
vaak weet ik het ook nog.
Niet omdat ik alles netjes organiseer.
Laten we vooral geen verkeerde indruk wekken.
Maar omdat ik blijkbaar permanent registreer waar iedereen zijn zooi laat slingeren.
Een talent waar ik nooit om gevraagd heb.
En toch komen we meestal op tijd
Vraag me niet hoe.
Er zijn ochtenden waarop ik om tien voor acht naar de ravage kijk en denk:
Dit gaat nooit lukken.
En tien minuten later zit iedereen ineens op de fiets en ik in de auto.
Met tas.
Met schoenen.
Met gymspullen.
Ik doe de autodeur dicht.
Stilte.
Ik kom op mijn werk aan.
En net als ik denk dat de rust is teruggekeerd, gaat mijn telefoon.
Een berichtje.
“Mam, ik ben mijn…”
Nee.
Ik wil het niet weten.
Volgende keer gaan we het anders aanpakken.
Zelf zoeken.
Zelf onthouden.
Zelf verantwoordelijk.
Klinkt prachtig.
Ik geef het ongeveer drie dagen.
