Het is begonnen: week 1 van de zomervakantie. Volgens het internet een periode van zes weken vol knusse quality time met de kinderen. In de praktijk betekent het dat ik ’s ochtends vroeg naar mijn werk vertrek, ‘de man die iets met computers doet’ zoonlief uit bed schudt voor de BSO, en puberdochter haar zomermissie vervolgt: zo lang mogelijk horizontaal blijven in een donkere kamer.
BSO = Behoorlijk Serieuze Ommezwaai
Zoonlief (8, dramatisch talent, houdt van voetbal en ongevraagd commentaar) vond de BSO bij voorbaat al een vorm van kindermishandeling.
“Dat is gewoon school maar dan zonder rekenen en mét vieze knutselplak!” riep hij bij het ontbijt, terwijl hij zijn muesli tegen de zwaartekracht in probeerde te eten.
Toch leverde ‘de man die iets met computers doet’ hem maandagochtend af op de BSO. Lichtelijk schuldig, met een tas reservekleding in zijn hand en zijn lievelingspet op.
Deze weken staat de BSO namelijk op een camping bij ons in het dorp. Met veel speeltoestellen, een zwembadje en heel veel zand. De droom van ieder kind en de nachtmerrie van elke (kerst)sok.
Toen hij begin van de middag werd opgehaald, verwachtte zijn vader een klaagzang. Maar wat hij kreeg was:
“Mag ik morgen weer? We hadden een watergevecht en ik ben de baas van de limonadekraam geworden.”
Pardon?
De BSO, ooit uitgeroepen tot ‘school 2.0 voor kinderen van wie de ouders niet van hun kinderen houden’, is plotseling getransformeerd tot zijn persoonlijke vakantieparadijs.
Op dinsdag wilde hij zelfs niet mee naar huis. Hij dook weg achter een hut van wilgentakken en riep: “Zeg maar dat ik verhuisd ben!”
Een bekering van Bijbelse proporties.
Puberdochter = slapend protestbeest
En dan mijn dochter van twaalf. Net de brugklas doorstaan, vol hormonen, filosofische levensvragen en een chronisch gebrek aan enthousiasme.
Haar zomervakantie-doel is helder: zo min mogelijk doen in zo veel mogelijk tijd.
Dag één bracht ze door in horizontale positie. Dag twee ook. Op dag drie kwam ze even uit bed, zag daglicht, zei: “Ugh”, en ging weer terug.
Ik ben inmiddels vergeten hoe haar gezicht eruitziet zonder de dekens half over haar hoofd.
“Wil je mee naar buiten?”
“Nee, ik ben druk.”
“Waarmee dan?”
“Ademen.”
Ik probeer het los te laten. Misschien ontwikkelt ze wel vleugels als ze nog langer in haar cocon blijft liggen. Of schubben. Wie zal het zeggen.
Werk = vakantie in vermomming
En ik? Ik werk gewoon deze weken. Want iemand moet de boterhammen verdienen waarvan de kinderen vervolgens zeggen: “waarom mogen we geen tosti”.
Stiekem voelt mijn werkplek als een soort spa-resort. Niemand vraagt me om een ijsje. Niemand zegt “ik verveel me”. Ik kan zelfs in stilte naar het toilet.
Wat een luxe.
Conclusie: het valt allemaal best mee
Week 1 van de zomervakantie overleefd. Zoon ontdekt dat BSO niet hetzelfde is als Guantánamo Bay. Dochter leeft haar beste slakkenleven. En ik heb het werk herontdekt als toevluchtsoord.
Nog vijf weken te gaan.
We lachen. We huilen. We drinken koffie.
Soms allemaal tegelijk.
En misschien, heel misschien, wordt dit nog best een leuke zomer.
Als ik tenminste op tijd de was bij hou en niemand zijn slippers kwijtraakt in de wasmachine. Maar dat is week 2-probleemmateriaal.
